Struikelstenen en een spreekkamer

Langer dan veertig jaar genealoog dat betekent dat je een opdracht hebt, een zelfopgelegde taak die uitgevoerd moet worden. Met de wetenschap dat zeven familieleden, zelfmoord pleegden aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en met een ellenlange lijst aan vermoorde familieleden is er als kind, al ben je na de Holocaust geboren, ook bijna geen ontsnappen mogelijk: je moet weten wat er is gebeurd, er is die verplichting om te herinneren. Je hebt een broer, ouders en een oma die het kan navertellen, maar het besef dat bij jullie familie alles anders is, een onmetelijk ‘iets’, dat knaagt.

En dan ga je op zoek en stuit op foto’s en informatie. Drie generaties Zeehandelaar en twee Cohens pleegden zelfmoord. Ze misten in Scheveningen de boot naar Engeland. Naar huis gingen ze niet meer terug. Ze zochten onderdak in een pension in Wassenaar en draaiden daar de gaskraan open. Jij en je broer zorgen ervoor dat er struikelstenen komen in Eindhoven. In april 2019 volgen er ook twee stenen in Assen, in het hoge noorden. Voor oom Frits en tante Frouk uit de Cohen-tak van de familie. De ongetrouwde oom en tante hadden een slagerij en oma verhaalde levendig. Er is nog een foto van hun slagerij, nu staat daar een flatgebouw.

De struikelstenen komen voor de flat te liggen. Genealogische kennis en oma’s herinneringen voorgelezen tijdens de korte steen-plaatsingsceremonie. De foto van de winkel, ingelijst, vindt zijn weg naar een groepje jonge makelaars die in een kantoor in de flat huizen. Hun reactie is sympathiek: de foto hangt naast de spreekkamer en jullie krijgen de spontane toezegging dat die voortaan de Frits Cohen kamer zal heten.

Herinneren, vertellen, herinneren, het gaat niet voorbij. We blijven ze noemen.

 

Hieronder vindt u de tekst van Freda en Dror Cohen Rapoport, uitgesproken in Assen (april), 2019.

 

IN MEMORIAM FREDERIK (FRITS) EN FROUK COHEN, broer en zus van onze grootmoeder Cato Cohen.

 Frits werd als vierde kind van Bernhart Cohen en Sara Engers in Assen geboren op 12 november 1884. Hij was deel van een tweeling. Zijn zuster Rosalie stierf in 1917 aan de Spaanse griep.

Frits werd vermoord in Auschwitz op 26 oktober 1942.

 Frouk is de oudere zuster van Frits, zij is in Assen geboren op 2 maart 1882 en vermoord in Auschwitz op 2 november 1942.

Hun oudste broer Max werd op 15 juni 1877 in Assen geboren. Hij werd vermoord in Sobibor op 5 maart 1943. Zijn vrouw Jette en jongste kind Maxje werden vermoord in Auschwitz.

Hun oudste zoon Bennie, die cellist was bij het Residentie orkest in Den Haag, is op 1 december 1933 overleden. Hij werd 21 jaar en ligt begraven op de Joodse begraafplaats Wassenaar.

 Omdat Max en zijn gezin als laatste woonplaats Den Haag hadden, wordt in Assen geen struikelstenen voor hen gelegd. Wij hebben echter de behoefte hen hier in dit memoriam te vernoemen.

 Frits kwam als jongen van 12 jaar (na de lagere school) als hulp in de slagerij van zijn ouders. Hij ging met een zware houten vleesbak op de schouders naar de klanten. Even voor 1890 verhuisden ze naar de winkel aan de Doevekamp. Na de oorlog 1914-1918 verhuisde ze naar het woonhuis aan de Paul Krügerstraat 2. Vader Bernhart heeft zijn zoon toen 1 jaar naar Antwerpen gestuurd, 1 jaar naar Hamburg en 1 jaar naar Den Haag. Bernhart zei: ‘ Je kunt een eigen slagerij krijgen, maar je zult het bij vreemden moeten leren.’

 Frits startte een slagerij aan de Groningerstraat t/o de Oude Kloekhorststraat met een compagnon. Dat liep niet helemaal goed af. Samen met zijn ouders Bernhart en Sara werd besloten om aan Paul Krugerstraat 2 de voorkamer en alkoof tot een mooie slagerij te laten verbouwen; toonbank met een weegschaal van Van Berkel, een zwaar vleesblok, mooie etalage, verchroomde vleeshaken, een elektrische gehaktmolen, worstmolen en een grote koelcel, waar de familie De Geeter elke donderdag grote ijsstaven voor bracht. Het krioelde dan van de kinderen. ‘Ome Frits, mag ik een stukje ijs?’

Bij zijn drukke werkzaamheden (hij slachtte nu koosjer in het slachthuis van slager Elsof aan de Rolderstraat) gaf hij nog dansles in zaal Wolthekker aan de Brinkstraat; in Rolde bij café Piest, in Beilen en in Loon. Overal kenden ze Fritsie. Toen hij eens een afspraakje had met een meisje uit Smilde, waarmee hij een borreltje ging drinken in Bellevue, werd hij ’s avonds opgewacht door twee knapen van De Smilde, die riepen ‘We zullen die Jeude wel eens aan ’t mes rieg’n’ en ze voegden de daad bij het woord en sneden hem vanaf het linkeroor een paar keer over zijn hoofd en voorhoofd.

 Vanuit Bellevue hoorde men een vreselijk gegil en liep een stel mannen naar buiten. Ze hebben hem – bloedend als een rund – naar dokter La Chapelle gebracht die het heeft gehecht.

’t Was ontzettend. Toen het verband er af kon, had hij dikke littekens over zijn hoofd. De daders kregen hun gerechte straf. Risjes zijn van alle tijden.

 In 1929 overleden de ouders van Frits en Frouk twee maanden na elkaar. Broer en zus zetten gezamenlijk de slagerij voort. De dertiger jaren verliepen voorspoedig en de zaak floreerde tot het uitbreken van de oorlog. Frits moest zich in 1942 melden voor de Arbeitseinsatz en werd met een groep Asser Joodse mannen naar kamp Conrad in Rouveen gestuurd. De nicht en neef van Frits (Rosa en Joseph) gingen regelmatig op de fiets vanuit Assen om hem post en extra eten te bezorgen. Begin oktober 1942 werden ze vanuit Rouveen naar Westerbork overgebracht. Na een aantal weken zijn ze naar Auschwitz gedeporteerd.

 Paul Krugerstraat 2 werd gevorderd door de bezetter en Frouk trok in bij haar zuster Cato aan Paul Krügerstraat 42. Op de avond van 2/3 oktober kwam de Asser politie langs met het bevel dat Frouk over 1 uur moest klaarstaan om meegenomen te worden naar Westerbork.

Het volgende verhaal werd mij een paar jaar geleden door Ruurd van der Veen verteld:

Frouk wilde wegvluchten voor het onheil dat haar te wachten stond. Ze heeft de benen genomen richting het Kanaal. Toen de familie haar mistte wisten ze (intuïtief) waar ze zou kunnen zijn.

Ze hebben haar bij het Kanaal weggehaald en is die avond toch richting Westerbork vervoerd met alle andere Asser Joden. Onze oma Cato zei later: ‘Hadden we haar maar laten gaan bij het Kanaal.’

 Zowel Frits als Frouk hebben de nodige amoureuze verhoudingen gehad, maar zijn uiteindelijk ongehuwd en zonder kinderen gebleven.

 Na verblijf van een aantal weken in Westerbork werden ze uiteindelijk gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Frouk heeft nog een briefje uit de trein gegooid voor haar zuster Cato, die net te laat bij het spoor aankwam. Ze hebben elkaar nooit meer gezien.



Pin It on Pinterest